Bij de ontwikkeling van een woonwijk of bedrijventerrein wordt over bijna alles jarenlang vooruitgedacht: grond, verkeer, water, riolering, stedenbouw, parkeren en groen. Maar zodra het over energie gaat, vervallen veel gemeenten en ontwikkelaars nog steeds in een opvallend traditioneel patroon: eerst ontwikkelen, daarna de aansluiting regelen.
En als de netbeheerder vervolgens zegt dat er onvoldoende capaciteit is, klinkt al snel: daar kunnen wij niets aan doen. Dat is te gemakkelijk. En inmiddels ook onverantwoord.
De Limburger berichtte in maart 2025 dat de ontwikkeling van bedrijventerrein De Berk III in Echt vertraging opliep omdat onzeker was of Enexis tijdig voldoende stroom kon leveren. Natuurlijk heeft de netbeheerder een grote verantwoordelijkheid om het elektriciteitsnet uit te breiden. Maar daarmee zijn gemeenten en ontwikkelaars niet ontslagen van hun eigen verantwoordelijkheid. Sterker nog: gemeenten moeten hier de leiding nemen.
Eerst energie, dan verkavele
Een kavel zonder beschikbaar vermogen is geen volwaardige bedrijfslocatie. Een woonwijk die op papier uitstekend is ontworpen, maar waarvoor geen realistisch energiesysteem bestaat, is evenmin toekomstbestendig.
Toch wordt energie nog te vaak behandeld als een nutsvoorziening die achteraf kan worden besteld. Dat denken stamt uit een tijd waarin capaciteit vanzelfsprekend was. Die tijd is voorbij.
Een gemeente zou daarom vóór gronduitgifte, verkaveling en definitieve stedenbouw moeten weten hoe het toekomstige energiesysteem eruitziet. Welke bedrijven komen er? Wat vragen ze aan vermogen? Wanneer ontstaan pieken? Hoeveel warmte en mobiliteit worden geëlektrificeerd? Wat kan lokaal worden opgewekt, opgeslagen en uitgewisseld?
En vooral: hoe voorkomen we dat die energievraag überhaupt ontstaat? Dat begint bij ruimtelijke keuzes en eisen aan gebouwen. Zeer energiezuinig bouwen, daken maximaal benutten voor opwek, ruimte reserveren voor transformatoren en opslag, warmte en elektriciteit integraal ontwerpen en bedrijven programmeren op basis van hun energieprofiel.
Niet ieder bedrijf past energetisch op iedere locatie. Dat vinden we misschien ongemakkelijk, maar bij verkeer, geluid en milieucategorieën vinden we zulke keuzes volstrekt normaal.
De kop in het zand is geen strategie
Het probleem is dat veel gebiedsontwikkeling nog wordt gestuurd vanuit korte-termijndenken: grondopbrengst, snelheid en financieel resultaat wegen zwaarder dan de vraag of een gebied over tien of twintig jaar energetisch nog functioneert.
We willen groeien, kavels verkopen en woningen bouwen. De moeilijke energievraag parkeren we liever bij de netbeheerder. Vervolgens hopen we dat de netverzwaring op tijd komt. Dat is geen strategie. Dat is de kop in het zand steken en hopen dat het probleem overwaait.
Gemeenten zouden juist de regisseur moeten zijn. Niet door zelf energiebedrijf te worden, maar door energie als harde randvoorwaarde voor ruimtelijke ontwikkeling te behandelen. Maak voor iedere nieuwe woonwijk, ieder bedrijventerrein en iedere uitbreiding vooraf een energieplan. Niet alleen in MWh per jaar, maar vooral in gelijktijdig vermogen in MW. Onderzoek lokale opwek, opslag, uitwisseling, slimme sturing en energiebesparing vóórdat kavels worden uitgegeven.
Dan verandert ook het gesprek met de netbeheerder. Niet: “Wij hebben 10 MW nodig, wanneer krijgen we dat?” Maar: “Wij hebben onze vraag door ontwerp, opwek, opslag en sturing teruggebracht van 10 naar 4 MW. Dit is wat we nog nodig hebben. Hoe lossen we dat samen op?”
Dat is regie.
Een energieplan hoort daarom net zo vanzelfsprekend te zijn als een verkeersplan of stedenbouwkundig plan. Wie vandaag nog een gebied ontwikkelt zonder energieplan, neemt bewust het risico dat het straks simpelweg niet kan functioneren.
En dan kun je niet alleen naar de netbeheerder wijzen.
Dit opiniestuk is een reactie op het artikel van De Limburger, “Bedrijvenpark Echt loopt vertraging op: ‘Enexis moet wel de stroom kunnen leveren’”, 12 maart 2025.
Door: Ing. F.W.M. (Frank) van Neer
Frank is directeur en adviseur bij Enedia BV en heeft ruim twintig jaar ervaring in energie-infrastructuur en de energietransitie. Hij combineert technische expertise met procesregie en bestuurlijke sensitiviteit en verbindt gemeenten, netbeheerders, bedrijven en andere stakeholders rond complexe energievraagstukken. Zijn expertise ligt onder meer op het gebied van netcongestie, elektriciteitsnetten, energiehubs, warmtesystemen en netbewuste gebiedsontwikkeling. Daarbij richt hij zich op het vertalen van technische en maatschappelijke uitdagingen naar praktische, uitvoerbare en toekomstbestendige energieoplossingen.